Thursday, April 17, 2008
Sunday, March 06, 2005
NAARDER MAATLANDEN
Ontstaan
De oostelijk van de Huizer haven gelegen veengronden behoorden in de
vroege middeleeuwen mogelijk tot de linkeroever van de Eem (1). Het
riviertje mondde toen, net als de IJssel, in het Almere uit. Dit was een
groot moerasgebied, bestaande uit vele meren, dat nog nauwelijks in
verbinding stond met de Noordzee. Pas in de late middeleeuwen werd het
Almere door stormvloeden omgevormd tot de Zuiderzee. Daarmee verdween ook
het moerasgebied voor de Gooise kust. Door de verbeterde afwatering naar
de Noordzee daalde het waterpeil waardoor de laaggelegen gronden langs de
monding van de Eem droog kwamen te liggen en agrarisch bruikbaar werden
(2).
In de middeleeuwen kwam een deel van deze grond in het bezit van de
Naardense Sint Vituskerk en het Klooster van Oud Naarden. Na de
kerkhervorming ging het bezit over op de Hervormde Kerk. De landerijen van
het Klooster werden geschonken aan het Naardense Burgerweeshuis, waardoor
deze instelling in het bezit kwam van een complex maatlanden, genaamd de
Monnikskampen (3).
De andere maatlanden werden verdeeld over de Gooise gemeenten. Zo kreeg
bijvoorbeeld Naarden gebieden te besturen die niet binnen de
gemeentegrenzen lagen en van de namen 'Naardermaat' en 'Naarder
Aangerecht' werden voorzien (4).
De zomerkade
Al in een vroeg stadium moeten de maatlanden door de gemeenten aan
particulieren zijn verkocht. Hierbij ontstonden smalle, langgerekte
percelen, die min of meer loodrecht op de kust lagen. Toen daar in het
begin van de zeventiende eeuw naast aanslibbing ook afslag plaatsvond,
kregen de Gooise gemeenten in 1633 een vergunning voor het aanleggen van
een zomerkade (5). Volgens de stelregel 'Wie het water deert, het water
keert', werd iedere grondeigenaar verantwoordelijk voor zijn eigen kleine
stukje kade.
Ook het aan de kust gelegen deel van de oostermeent (in gemeenschappelijk
gebruik bij de erfgooiers en eigendom van de landsheer) werd toen van een
kade voorzien.
Om toezicht te houden op het onderhoud van de kade werden door de
gemeentebestuurders kademeesters benoemd. Tot hun taak werd ook gerekend
het inspecteren van de duikers in de kade, die de waterhuishouding van de
maatlanden regelden. Iedere duiker was voorzien van een houten klep, die
met vloed werd dichtgedrukt en met eb openging. Vanwege de geringe
waterdruk in de sloten van de maatlanden, verliep echter de afwatering
tijdens eb slecht (6). Om het water sneller te laten afvloeien, kwam het
weleens voor dat een kademeester een balk stak tussen de duikerklep. Als
deze blokkade bij vloed niet ongedaan werd gemaakt dan liep het zoute, dus
voor het vee ondrinkbaar, water via de sloot van de maatlanden naar de
meent. Botsingen tussen de kademeesters en meentbeheerders waren het
gevolg.
Tot 1928 werd de kade op traditionele wijze beheerd. Spanningen tussen de
gemeentelijke bestuurders en de grondeigenaren leidden tot het ontstaan
van het Waterschap Gooische Zomerkade. Deze instantie omvatte niet alleen
de circa 310 hectare maatlanden, maar ook de 400 hectare van het
laaggelegen deel van de Oostermeent (6). In die tijd werd de Afsluitdijk
aangelegd, zodat enkele jaren later de maatlanden aan het zoete water van
het IJsselmeer kwamen te liggen.
Het beheer van de hooilanden
De verschillende maatlanden (Naardermaat, Monnikskampen, Naarder
Aangerecht enz.) waren onderling van elkaar gescheiden door maatsloten.
Het hele complex werd van de meent gescheiden door de grenssloot.
Binnen ieder maatland ontbrak het aan sloten en hekken tussen de percelen.
's Winters overstroomde het gebied, waarbij de zee een vruchtbare kleilaag
afzette. Het zou derhalve te grote inspanningen vergen om een uitgebreid
slotenpatroon in stand te houden. De Naardermaat was één grote vlakte,
waarbinnen de verschillende eigendomsverhoudingen vooral op papier waren
vastgelegd. Deze in het landschap niet zichtbare kavels - alleen bij de
grenssloot stond een genummerd paaltje - waren smal en lang: in de
Aangerechten ongeveer 9 x 700 meter. Door het ontbreken van sloten,
verliep de afwatering matig, waardoor het grasland in het voorjaar lang
drassig bleef. De maatlanden waren daardoor niet geschikt voor beweiding,
maar dienden uitsluitend als hooiland.
De maatlanden werden beheerd door schaarmeesters, die door de Gooise
gemeentebestuurders gekozen werden uit de grondeigenaren. De
schaarmeesters moesten zorg dragen voor het onderhoud van de genummerde
paaltjes, die bij de grenssloot de verschillende kavels aangaven (6). In
het voorjaar moest, voordat met de hooibouw werd begonnen, ieders bezit
zichtbaar gemaakt worden. Uitgaande van de genummerde paaltjes werden dan
de percelen opgemeten en afgebakend door bosjes stevige rietstengels op
een rij in de grond te steken (7). Dat laatste werk werd door de
zogenaamde grasbazen verricht, die weer in dienst waren van de
schaarmeesters. Onlangs kwam uit particulier bezit een notitieboekje uit
1845 te voorschijn van schaarmeester Hendrik Rigter en de grasbazen
Lambert Spil en Jacob Schipper. Hierin staat de grootte van ieders bezit
en de ligging ten opzichte van de genummerde paaltjes aangegeven in
oppervlakte eenheden van vóór 1820, de datum waarop het metrieke stelsel
werd ingevoerd (8).
Een warboel van maten
De oeroude maataanduidingen en de verdeling van de maatlanden in smalle
langgerekte stroken waren gebaseerd op het gebruik als hooiland. In de
maatlanden werden bovendien zeer afwijkende eenheden gebruikt, hetgeen
misschien een gevolg was van het behoren tot verschillende gemeenten. In
de Naardermaat en Aangerecht rekende men bijvoorbeeld met de 'zwad', een
strook gemaaid gras met de breedte van een zeisslag. Daarentegen sprak men
bij andere maatlanden van 'dammet' (dagmaat), oftewel de oppervlakte die
een man in een dag kon maaien. Verder werden er maten als 'voet' en
'akker' gebruikt (9).
Vooral de Gooise bestuurders hadden moeite met deze warboel. Vlak voor de
invoering van het kadaster verzocht de rijksoverheid aan de gemeenten om
een opgave van het grondbezit in metrische eenheden. Het gemeentebestuur
van Naarden schreef toen terug: "Ronduit gesproken is het bepalen der
metrieke maat in deze gemeente in Openbare Akten, zoo lange de nieuwe
Cadastratie niet is geschied, eene hersenschim"; waarbij als voorbeeld de
maatlanden werden gekozen (10). Uiteindelijk gingen in 1824 enkele heren
van het kadaster naar de maatlanden, omdat daar "meerdere duisterheden" en
"volstrekt geene Grensscheidingen" waren. Samen met de Gooise bestuurders
werden toen nieuwe grenzen vastgesteld.
De opheffing van de exclaves
Een noodzakelijke voorwaarde voor de invoering van het kadaster in 1832
was, dat iedere gemeente een aaneengesloten gebied kreeg. Door het bestaan
van 'exclaves' als de maatlanden en de bouwvenen (daarover in een volgend
artikel) moesten de Gooise gemeenten dus onderling grond ruilen. Zo werden
alle maatlanden toegevoegd aan Huizen en Blaricum. Naarden kreeg er
Huizer zandgrond ten zuiden van de Bollelaan voor terug, hetgeen op een
kaartje werd vastgelegd (11). Uiteindelijk werd Naarden hiermee in
oppervlakte groter. De ruil geschiedde namelijk niet op basis van
oppervlakte, maar op basis van de hoogte van grondbelasting en daarmee dus
de waarde van de grond.
Na de invoering van het kadaster verdwenen de bestuurlijke problemen met
de maatlanden niet, omdat de Gooise burgemeesters belast bleven met het
beheer van ieder voormalig stads- of dorpsmaat. In het begin van deze eeuw
begreep bijvoorbeeld de Hilversumse burgemeester al niet meer waar hij het
recht aan ontleende om schaarmeesters te benoemen voor de Hilversummer
Bovenmaat en de Bijvank. Uiteindelijk maakte de ruilverkaveling in 1937
een einde aan het oude beheer en daarmee aan deze problematiek.
_________________________
Noten:
1. De zwadetijns en de koptienden, die de Gooiers betaalden aan Hoog
Elten,
Ir. T. van Tol, in Tussen Vecht en Eem, 1e jrg. nr. 3.
2. De Eemlandtsche Leege Landen, ontginningen rond de mond van de Eem in
de
12e en 13e eeuw. C. Dekker en M. Mijnssen-Dutilh 1995
3. Stadsarchief Naarden, Archief Burgerweeshuis Naarden, BWH/10.11,
30-11-1795.
4. Geschiedenis van Gooiland. Dr. D.Th. Enklaar en Dr. A.C.J. de
Vrankrijker.
5. Streekarchief Hilversum, Collectie Perk, nr. 84, Stukken betreffende de
Gooische Maatlanden en de Gooische Kade ca. 1370-1852.
6. Stadsarchief Naarden, Resolutieboek van Burgemeester en Adjunct
Burgemeester en Raaden der Stad Naarden, OAN 37-1, dd 1714.
Stukken betreffende het beheer van de Gooische Zomerkade, gelegen
tussen Naarden en Eemnes, NAN 640, 1828-1870.
Archief Stad en Lande van Gooiland, Gooische Zomerkade 1633-1927,
Waterschap de Gooische Zomerkade 1927-1975, nrs. 262 en 359,
Kaart 'Meenten, Gooische Zomerkade', schaal 1 : 5000
(situatie van vóór de ruilverkaveling van de Maatlanden)
7. Huizer Kring Berichten, 16e jrg.3-9-1995. Historische Kring Huizen.
8. Notitieboekje met de eigenaren van de maatlanden in het Gooi. In
particulier bezit bij een inwoner van Huizen.
9. Naerdincklant, Gooische studies. Dr. A.C.J. de Vrankrijker. 1947
10. Stadsarchief Naarden, Brievenboek van Burgemeesters en wethouders,
NAN 6,7 en 8, 1819-1826
11. Stadsarchief Naarden, Stukken betreffende de werkzaamheden van het
kadaster, de kadastrale leggeres, de opmetingen, e.d. NAN 486, 1816-1912.
Proces verbaal der Grensregeling van Naarden 1824, met een 'Figurative
schets van de grensscheiding tussen de gemeente Naarden en Huizen', OAN
127.6, aug. 1824.
Afbeeldingen:
1. Kaartje van de Maatlanden uit 1908. Hierop de maatlanden Huizermaat
t/m de Bieskamp.
2. Kaartje van de maatlanden Huizermaat t/m de Bijvang. Onderschrift:
De Maatlanden waren alleen op de kadasterkaart verdeeld in lange
percelen met een klein stukje kade. In werkelijkheid was ieder complex één
grote grasvlakte zonder hekken of scheisloten. Markeringspaaltjes aan
de zuidelijke grenssloot gaven ieders eigendom aan. De Kampjes en
Monnikskampen behoorden tot één eigenaar en werden verhuurd, vandaar de
afwijkende verkaveling op de kaart.
3. Schematische tekening van vijf maaiers met het onderschrift:
Het maaien van grote grasvlakten werd gedaan door hannekemaaiers. De
voorste man gaf het tempo aan. De breedte van één zeisslag werd
'zwad' genoemd en was tevens de naam van de oppervlak van een gemaaide
strook.
4. Kaartje met de grens tussen Naarden en Huizen uit 1824:
Op deze figuratieve schets van de grensscheiding tussen Naarden en
Huizen worden met de letters A en B de te ruilen percelen aangegeven.
A. het gebied ten zuiden van de Bollelaan, B. de Naardermaat.
Collectie Stadsarchief Naarden.
5.DE OMROEPER . OKTOBER 1996, JAARGANG 9, NR. 4
__________________________________________
Gemeentekaart van Huizen 1867
________________________________________
F.J.J. de Gooijer
http://gooijer.netfims.com
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl
Voor afbeeldingen en foto's, zie:
http://gooiland.vijftigplusser.nl
Gastenboek
________________________
De oostelijk van de Huizer haven gelegen veengronden behoorden in de
vroege middeleeuwen mogelijk tot de linkeroever van de Eem (1). Het
riviertje mondde toen, net als de IJssel, in het Almere uit. Dit was een
groot moerasgebied, bestaande uit vele meren, dat nog nauwelijks in
verbinding stond met de Noordzee. Pas in de late middeleeuwen werd het
Almere door stormvloeden omgevormd tot de Zuiderzee. Daarmee verdween ook
het moerasgebied voor de Gooise kust. Door de verbeterde afwatering naar
de Noordzee daalde het waterpeil waardoor de laaggelegen gronden langs de
monding van de Eem droog kwamen te liggen en agrarisch bruikbaar werden
(2).
In de middeleeuwen kwam een deel van deze grond in het bezit van de
Naardense Sint Vituskerk en het Klooster van Oud Naarden. Na de
kerkhervorming ging het bezit over op de Hervormde Kerk. De landerijen van
het Klooster werden geschonken aan het Naardense Burgerweeshuis, waardoor
deze instelling in het bezit kwam van een complex maatlanden, genaamd de
Monnikskampen (3).
De andere maatlanden werden verdeeld over de Gooise gemeenten. Zo kreeg
bijvoorbeeld Naarden gebieden te besturen die niet binnen de
gemeentegrenzen lagen en van de namen 'Naardermaat' en 'Naarder
Aangerecht' werden voorzien (4).
De zomerkade
Al in een vroeg stadium moeten de maatlanden door de gemeenten aan
particulieren zijn verkocht. Hierbij ontstonden smalle, langgerekte
percelen, die min of meer loodrecht op de kust lagen. Toen daar in het
begin van de zeventiende eeuw naast aanslibbing ook afslag plaatsvond,
kregen de Gooise gemeenten in 1633 een vergunning voor het aanleggen van
een zomerkade (5). Volgens de stelregel 'Wie het water deert, het water
keert', werd iedere grondeigenaar verantwoordelijk voor zijn eigen kleine
stukje kade.
Ook het aan de kust gelegen deel van de oostermeent (in gemeenschappelijk
gebruik bij de erfgooiers en eigendom van de landsheer) werd toen van een
kade voorzien.
Om toezicht te houden op het onderhoud van de kade werden door de
gemeentebestuurders kademeesters benoemd. Tot hun taak werd ook gerekend
het inspecteren van de duikers in de kade, die de waterhuishouding van de
maatlanden regelden. Iedere duiker was voorzien van een houten klep, die
met vloed werd dichtgedrukt en met eb openging. Vanwege de geringe
waterdruk in de sloten van de maatlanden, verliep echter de afwatering
tijdens eb slecht (6). Om het water sneller te laten afvloeien, kwam het
weleens voor dat een kademeester een balk stak tussen de duikerklep. Als
deze blokkade bij vloed niet ongedaan werd gemaakt dan liep het zoute, dus
voor het vee ondrinkbaar, water via de sloot van de maatlanden naar de
meent. Botsingen tussen de kademeesters en meentbeheerders waren het
gevolg.
Tot 1928 werd de kade op traditionele wijze beheerd. Spanningen tussen de
gemeentelijke bestuurders en de grondeigenaren leidden tot het ontstaan
van het Waterschap Gooische Zomerkade. Deze instantie omvatte niet alleen
de circa 310 hectare maatlanden, maar ook de 400 hectare van het
laaggelegen deel van de Oostermeent (6). In die tijd werd de Afsluitdijk
aangelegd, zodat enkele jaren later de maatlanden aan het zoete water van
het IJsselmeer kwamen te liggen.
Het beheer van de hooilanden
De verschillende maatlanden (Naardermaat, Monnikskampen, Naarder
Aangerecht enz.) waren onderling van elkaar gescheiden door maatsloten.
Het hele complex werd van de meent gescheiden door de grenssloot.
Binnen ieder maatland ontbrak het aan sloten en hekken tussen de percelen.
's Winters overstroomde het gebied, waarbij de zee een vruchtbare kleilaag
afzette. Het zou derhalve te grote inspanningen vergen om een uitgebreid
slotenpatroon in stand te houden. De Naardermaat was één grote vlakte,
waarbinnen de verschillende eigendomsverhoudingen vooral op papier waren
vastgelegd. Deze in het landschap niet zichtbare kavels - alleen bij de
grenssloot stond een genummerd paaltje - waren smal en lang: in de
Aangerechten ongeveer 9 x 700 meter. Door het ontbreken van sloten,
verliep de afwatering matig, waardoor het grasland in het voorjaar lang
drassig bleef. De maatlanden waren daardoor niet geschikt voor beweiding,
maar dienden uitsluitend als hooiland.
De maatlanden werden beheerd door schaarmeesters, die door de Gooise
gemeentebestuurders gekozen werden uit de grondeigenaren. De
schaarmeesters moesten zorg dragen voor het onderhoud van de genummerde
paaltjes, die bij de grenssloot de verschillende kavels aangaven (6). In
het voorjaar moest, voordat met de hooibouw werd begonnen, ieders bezit
zichtbaar gemaakt worden. Uitgaande van de genummerde paaltjes werden dan
de percelen opgemeten en afgebakend door bosjes stevige rietstengels op
een rij in de grond te steken (7). Dat laatste werk werd door de
zogenaamde grasbazen verricht, die weer in dienst waren van de
schaarmeesters. Onlangs kwam uit particulier bezit een notitieboekje uit
1845 te voorschijn van schaarmeester Hendrik Rigter en de grasbazen
Lambert Spil en Jacob Schipper. Hierin staat de grootte van ieders bezit
en de ligging ten opzichte van de genummerde paaltjes aangegeven in
oppervlakte eenheden van vóór 1820, de datum waarop het metrieke stelsel
werd ingevoerd (8).
Een warboel van maten
De oeroude maataanduidingen en de verdeling van de maatlanden in smalle
langgerekte stroken waren gebaseerd op het gebruik als hooiland. In de
maatlanden werden bovendien zeer afwijkende eenheden gebruikt, hetgeen
misschien een gevolg was van het behoren tot verschillende gemeenten. In
de Naardermaat en Aangerecht rekende men bijvoorbeeld met de 'zwad', een
strook gemaaid gras met de breedte van een zeisslag. Daarentegen sprak men
bij andere maatlanden van 'dammet' (dagmaat), oftewel de oppervlakte die
een man in een dag kon maaien. Verder werden er maten als 'voet' en
'akker' gebruikt (9).
Vooral de Gooise bestuurders hadden moeite met deze warboel. Vlak voor de
invoering van het kadaster verzocht de rijksoverheid aan de gemeenten om
een opgave van het grondbezit in metrische eenheden. Het gemeentebestuur
van Naarden schreef toen terug: "Ronduit gesproken is het bepalen der
metrieke maat in deze gemeente in Openbare Akten, zoo lange de nieuwe
Cadastratie niet is geschied, eene hersenschim"; waarbij als voorbeeld de
maatlanden werden gekozen (10). Uiteindelijk gingen in 1824 enkele heren
van het kadaster naar de maatlanden, omdat daar "meerdere duisterheden" en
"volstrekt geene Grensscheidingen" waren. Samen met de Gooise bestuurders
werden toen nieuwe grenzen vastgesteld.
De opheffing van de exclaves
Een noodzakelijke voorwaarde voor de invoering van het kadaster in 1832
was, dat iedere gemeente een aaneengesloten gebied kreeg. Door het bestaan
van 'exclaves' als de maatlanden en de bouwvenen (daarover in een volgend
artikel) moesten de Gooise gemeenten dus onderling grond ruilen. Zo werden
alle maatlanden toegevoegd aan Huizen en Blaricum. Naarden kreeg er
Huizer zandgrond ten zuiden van de Bollelaan voor terug, hetgeen op een
kaartje werd vastgelegd (11). Uiteindelijk werd Naarden hiermee in
oppervlakte groter. De ruil geschiedde namelijk niet op basis van
oppervlakte, maar op basis van de hoogte van grondbelasting en daarmee dus
de waarde van de grond.
Na de invoering van het kadaster verdwenen de bestuurlijke problemen met
de maatlanden niet, omdat de Gooise burgemeesters belast bleven met het
beheer van ieder voormalig stads- of dorpsmaat. In het begin van deze eeuw
begreep bijvoorbeeld de Hilversumse burgemeester al niet meer waar hij het
recht aan ontleende om schaarmeesters te benoemen voor de Hilversummer
Bovenmaat en de Bijvank. Uiteindelijk maakte de ruilverkaveling in 1937
een einde aan het oude beheer en daarmee aan deze problematiek.
_________________________
Noten:
1. De zwadetijns en de koptienden, die de Gooiers betaalden aan Hoog
Elten,
Ir. T. van Tol, in Tussen Vecht en Eem, 1e jrg. nr. 3.
2. De Eemlandtsche Leege Landen, ontginningen rond de mond van de Eem in
de
12e en 13e eeuw. C. Dekker en M. Mijnssen-Dutilh 1995
3. Stadsarchief Naarden, Archief Burgerweeshuis Naarden, BWH/10.11,
30-11-1795.
4. Geschiedenis van Gooiland. Dr. D.Th. Enklaar en Dr. A.C.J. de
Vrankrijker.
5. Streekarchief Hilversum, Collectie Perk, nr. 84, Stukken betreffende de
Gooische Maatlanden en de Gooische Kade ca. 1370-1852.
6. Stadsarchief Naarden, Resolutieboek van Burgemeester en Adjunct
Burgemeester en Raaden der Stad Naarden, OAN 37-1, dd 1714.
Stukken betreffende het beheer van de Gooische Zomerkade, gelegen
tussen Naarden en Eemnes, NAN 640, 1828-1870.
Archief Stad en Lande van Gooiland, Gooische Zomerkade 1633-1927,
Waterschap de Gooische Zomerkade 1927-1975, nrs. 262 en 359,
Kaart 'Meenten, Gooische Zomerkade', schaal 1 : 5000
(situatie van vóór de ruilverkaveling van de Maatlanden)
7. Huizer Kring Berichten, 16e jrg.3-9-1995. Historische Kring Huizen.
8. Notitieboekje met de eigenaren van de maatlanden in het Gooi. In
particulier bezit bij een inwoner van Huizen.
9. Naerdincklant, Gooische studies. Dr. A.C.J. de Vrankrijker. 1947
10. Stadsarchief Naarden, Brievenboek van Burgemeesters en wethouders,
NAN 6,7 en 8, 1819-1826
11. Stadsarchief Naarden, Stukken betreffende de werkzaamheden van het
kadaster, de kadastrale leggeres, de opmetingen, e.d. NAN 486, 1816-1912.
Proces verbaal der Grensregeling van Naarden 1824, met een 'Figurative
schets van de grensscheiding tussen de gemeente Naarden en Huizen', OAN
127.6, aug. 1824.
Afbeeldingen:
1. Kaartje van de Maatlanden uit 1908. Hierop de maatlanden Huizermaat
t/m de Bieskamp.
2. Kaartje van de maatlanden Huizermaat t/m de Bijvang. Onderschrift:
De Maatlanden waren alleen op de kadasterkaart verdeeld in lange
percelen met een klein stukje kade. In werkelijkheid was ieder complex één
grote grasvlakte zonder hekken of scheisloten. Markeringspaaltjes aan
de zuidelijke grenssloot gaven ieders eigendom aan. De Kampjes en
Monnikskampen behoorden tot één eigenaar en werden verhuurd, vandaar de
afwijkende verkaveling op de kaart.
3. Schematische tekening van vijf maaiers met het onderschrift:
Het maaien van grote grasvlakten werd gedaan door hannekemaaiers. De
voorste man gaf het tempo aan. De breedte van één zeisslag werd
'zwad' genoemd en was tevens de naam van de oppervlak van een gemaaide
strook.
4. Kaartje met de grens tussen Naarden en Huizen uit 1824:
Op deze figuratieve schets van de grensscheiding tussen Naarden en
Huizen worden met de letters A en B de te ruilen percelen aangegeven.
A. het gebied ten zuiden van de Bollelaan, B. de Naardermaat.
Collectie Stadsarchief Naarden.
5.DE OMROEPER . OKTOBER 1996, JAARGANG 9, NR. 4
__________________________________________
Gemeentekaart van Huizen 1867
________________________________________
F.J.J. de Gooijer
http://gooijer.netfims.com
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl
Voor afbeeldingen en foto's, zie:
http://gooiland.vijftigplusser.nl
Gastenboek
________________________
Labels: Gooise geschiedenis

